woensdag 1 juli 2026

Naar Forsvik

Jee, wat een mooie tocht! Het was bladstil vanochtend toen we vertrokken. Rustig, heel rustig voeren we richting het Viken meer. Het kanaal is hier deels rivier en deels echt gegraven. Het riviergedeelte is mooi bochtig, en ondanks dat we hier al gefietst en gewandeld hebben bleven we er hardop van genieten. 

Dat gedeelte bij die obelisk is inderdaad erg smal. De M-borden (passeerplek) die we zoveel langs de wegen zagen, staan ook hier. Maar dan met twee boten erbij. In de vorm van de houten passagiersschepen als de Juno. Eentje zie je van voren, eentje van achteren.

De sluis bij Tåtorp is de laatste waar we omhoog geschut worden. Slechts 20 centimeter, dus haast de moeite niet waard. De sluiswachter moet het hier allemaal met spierkracht doen. Eerst de ene sluisdeur achter ons sluiten door middel van een draaiwiel, dan omlopen om de andere te sluiten.

Daarna moest hij naar de voorste sluisdeuren lopen, en op die deuren draaide hij ergens aan zodat de schuiven openden. Toen het water op niveau was, duwde hij als een paard in een tredmolen de zuidelijke sluisdeur open en liep via de brug naar het sluiswachtershuisje. Daar schakelde hij  het systeem in om de brug te openen (de bel moet klingelen, de lichten aan, de spoorbomen naar beneden en de brug moet omhoog) en ondertussen draaide hij weer rondjes om de noordelijke sluisdeur te openen.

Het is een beetje een trieste bedoening hier, terwijl het toch zo bijzonder is. Want het Viken meer, waar we naartoe gingen, is het hoogste meer in het Göta Kanaal, 92 meter boven zeeniveau. Best speciaal toch? En die sluis is de enige in het westelijk gedeelte van het kanaal dat met de hand bediend wordt.

De sluis heet officieel Daniel Thunberg-sluis, want die man maakte destijds de eerste tekening van het Göta Kanaal. Volgens mij weet geen toerist dat, en het staat ook niet op een info-bordje, maar de website van het kanaal vermeldt het wel. Ook dat de sluis in 1814 is gebouwd maar dertig jaar later is herbouwd omdat het metselwerk verzakt was.

En de brug doet ook mee met bijzonder zijn. Het was namelijk de verantwoordelijkheid van de kanaalmaatschappij om ervoor te zorgen dat mensen het kanaal bij Tåtorp konden oversteken. Het bedrijf koos voor een veerboot, dat was blijkbaar goedkoper. Maar in 1933 werd de veerdienst stopgezet en moesten mensen te voet via de sluisdeuren naar de overkant. Dat duurde en dat duurde. Tot de mensen het zó zat waren dat ze zonder tussenkomst van de kanaalmaatschappij een brug in Duitsland bestelden. Het is de enige in zijn soort in het kanaal.  Ik vraag me af wie het heeft betaald, maar dat kon ik nergens vinden.

Maar goed, al met al een bijzondere plek: Tåtort. En er is niets te beleven. Je kunt er niet eens een ijsje kopen, en ook dát is al bijzonder in Zweden.

Het Vikenmeer is best diep, gemiddeld 15 meter, maar dat is gemiddeld. Ergens is het wel 30 meter diep, maar er zijn veel (echt heel veel) rotsen die je niet ziet. Dus het is wel zaak om de vaargeul aan te houden. Die is soms erg breed, dus we voelden ons niet opgesloten, maar we bleven wel braaf binnen de betonning.

Okee, de eerste helft van het meer (dat een ondersteboven-V-vorm heeft) is misschien wel te bezeilen, maar dan moet er wel wind staan natuurlijk. En die was er nauwelijks vandaag.

De tweede helft stond in het teken van Ledmurar, jaagmuren. Het water is hier niet te bezeilen vanwege al die rotsen, daarom zijn er muurtjes gestapeld waar je op kon lopen om de boten voort te trekken. Nu kan dat echt niet meer, want grote stukken van die ledmurar zijn verdwenen. Maar het waren lange stukken hoor, met vreemde bochten erin ook nog. Af en toe was het even stakenzoeken (spoorzoeken naar staken), en we waren blij dat we dit met mooi weer deden, maar het verliep allemaal prima. Het was erg mooi, Hidzer noemde het “Earnewâld met rotsen”.

We moesten door twee smalle stukken varen waar het gewoon eenrichtingsverkeer is. Het eerste stuk was een kanaaltje (Spetsnäskanalen) dat een enorm stuk van het meer afsnijdt, het tweede een riviertje (Billströmmen). Je moet toeteren als je in zo’n smal stuk wilt varen. Dat deden wij braaf (zijn er nu nog wat doof van), en hadden gelukkig geen tegenliggers. 

Trouwens, het verkeer naar het oosten heeft dan voorrang. Tussen die versmallingen kwamen we een frans zeiljacht tegen, maar die hebben we niet horen toeteren. We moesten volgens aanwijzingen vier meter van de jaagmuren vandaan blijven vanwege stenen onder water, maar aan de andere kant was het ook niet zo diep. Best spannend hoor!

Forsvik was ons doel van vandaag. Vijftien mijlen, een kleine dertig kilometer van Vassbäcken vandaan. Het laatste stuk, in het dorp zelf, was ook hartstikke leuk. We moesten wel even een half uurtje wachten omdat het ook in het dorp eenrichtingsverkeer is. En er kwam een schutting van de andere kant. Gelukkig wordt het met een stoplicht aangegeven, dat scheelt een hoop gedoe.

Het is de grootste sluis van het hele kanaal: 1000 kubieke meter in plaats van de normale 700 kubieke meter. De eerste sluis in Zweden die we naar beneden gingen. Drieënhalve meter. Daar draaiden we onze hand niet voor om, we hebben wel meer meegemaakt.  De sluis heeft als doopnaam Carl XIII en is de oudste van het kanaal, van 1813.

Vanaf Forsvik werd immers het begin gemaakt van het Göta Kanaal. Alle begin is moeilijk, en dat bleek ook hier. Gedurende drie jaren hebben 160 FTE aan  soldaten hier aan gewerkt, maar desondanks was de sluis veel te kort. Dat werd pas bijna veertig jaar later gecorrigeerd. Trouwens, dat stuk eenrichtingsverkeerkanaal hier is ook gemaakt (lees: rotsen opgeblazen) bij het bouwen van de oorspronkelijke sluis.

En de oude brug? Die komt ook uit 1813, wordt bestempeld als de oudste ijzeren brug van heel Zweden, staat nu altijd open en is een iconisch onderdeel van het Zweeds industriëel erfgoed. Forsvik is er trots op!

We liggen nu aan een steiger aan de andere kant van ’t dorp. Met uitzicht op een prachtig huis, op vingersteigers waar een boot of 12 kunnen liggen, op het noordelijkste gedeelte van het meer Bottensjön, en op het kanaal richting de sluis. Met ook hier een stoplicht, dus we kunnen goed zien of er vaarverkeer in aantocht is.

Er ligt een Nederlander achter ons.  Die het kanaal aardig zat is. Het is een Amsterdammer, met vriendin en moeder onderweg. Hij deed zich voor als een zeer ervaren zeiler, maar sprak zich wel wat tegen. Zo wist hij niet hoeveel sluizen hij moest doen, was na de eerste sluis in Mem zo gespannen dat hij in het eerste haventje een week lang is blijven liggen, zijn moeder moet eigenlijk overmorgen in Göteborg op het vliegveld stappen maar dat gaat niet lukken (hoezo, er rijden toch wel treinen en zo?), hij doet het rustig aan (eh, vanaf dat eerste haventje waar je een week lag tot hier, dat zijn dus 35 sluizen en een paar meren in één week, is dat rustig?), en hij vond onze boot mooi: ”is zeker in Turkije gebouwd, daar maken ze zulke polyester boten bij bosjes”.

Hij wil het Kieler kanaal niet doen, vindt dat maar niks, gaat liever een paar nachten door via het Skagerrak. We waren snel klaar met hem (en zijn monoloog) en wensten hem een goede reis.

Hij had wel wat pech, want de Diana kwam langs. En daar moest hij op wachten. Diana is één van de traditionele passagiersschepen die heen en weer tussen Stockholm en Göteborg varen. In Forsvik worden deze schepen (ook de Juno en de Wilhelm Tham) altijd begroet door een kerkelijk koortje van een mens of twintig.

We zagen de Diana heel langzaam en wat scheef door de bocht komen. Scheef, want alle passagiers en het grootste deel van de bemanning stond natuurlijk aan bakboordskant. Dat deed ons denken aan de storm die we in Sjötorp meemaakten (waar wij trouwens helemaal geen last van hadden), en we op Marine Traffic zagen dat de Juno op het Vänern Meer terugkeerde naar Vänersborg. Als zo’n schip zonder vaart al wat scheef hangt, hoe gaat dat dan met harde wind in golven?

Nou ja, het was hier prachtig weer: lekker warm en een zonnetje. De groep, Kindbomsgruppen,  zong, er werd tussendoor wat verteld, er werden bloemen aangeboden aan een vrouwelijk bemanningslid en die mevrouw gaf een taart aan de groep. Er was veel publiek, het is blijkbaar best bijzonder.

Toen de Diana was vertrokken bleek dat de kerk-groep nog gezellig op de picknickbanken zat en kletste. Wij zochten contact met ik denk de jongste mevrouw, die toevallig de kleindochter is van meneer Kindbom. Die begon in 1926 met een soort evangelisatie wanneer passagiersschepen hier langskwamen.  Al honderd jaar dus. Dit jaar zestig keer. Haar broer, die de boel leidt, en haar zus doen altijd mee, zij zelf wanneer ze vrij is.

Het is een leuk uitje voor de zangers (met gitaar en accordeon). De leeftijd is toch wel 70+, er was koffie en thee mee, en ook gebaksbordjes.  Er zit geen verrassing in het overhandigen van bloemen en taart dus. Maar: wij kregen ook koffie en gebak (worteltaart) aangeboden en hebben leuk met mevrouw (die manager is in kazerne in Karlsborg) gekletst.

De Nederlander mocht de volgende schutting mee, en het was heerlijk rustig op onze steiger!

dinsdag 30 juni 2026

Vassbäcken

Vassbäcken, dat spreek je weer iets anders uit dan wij dachten, het belangrijkste is dat de V een W wordt. En de klemtoon is iets anders. We worden vaak op ’t verkeerd been gezet trouwens. Want Zweeds lezen gaat wel aardig, tenminste, we begrijpen de strekking van de boodschap best vaak, maar het verstaan is lastig.

Zo leerden we van Elin en Christoffer dat  je Sjötorp niet uitspreekt als Sjeutorp. Dat vonden we zelf wel lekker Zweeds klinken, maar de Zweedse mensen begrijpen niet waar je ’t over hebt. De r is een beetje een stomme r, maar is wel degelijk aanwezig. Even oefenen dus. En de Sj wordt een Gj, maar dan een zachte G. Dus het is iets van Gjieutop, maar toch anders.

Na ongeveer drie kwartier varen op een prachtig stuk kanaal, vonden we het mooiste plekje aan de steiger, zo ver mogelijk naar het oosten. Met zicht op de brug, het caféetje, het terras en alles wat langs vaart. En rijdt, want naast ons is weer een camping, dus de camperaars hebben ook hier een prachtig plekje aan het kanaal. De brug is niet gebouwd op campers, vooral niet op grote campers, dus die moeten het heel voorzichtig doen. De breedte is het probleem niet, het oprijden op de brug ook niet, maar het verlaten van de brug. Dat moet voorzichtig dus langzaam. Aan het wegdek te zien gaat dat wel eens fout.

Ha, hier wonen ook weer liefhebbers van Amerikaanse auto’s. Eentje hoorden we al van ver aankomen. Niet alleen door zijn uitlaat, maar ook, dat hoort er blijkbaar bij, door zijn muziek. Luide muziek en ramen open, zodat we konden meegenieten van “Dancing Queen” van Abba. Dat had wel wat, die combinatie. Omdat dit weer zo’n Elvis Presley auto was, en hij dus heel langzaam over die brug reed, bleef hij lang in beeld. En in ’t gehoor.

Vassbäcken is eigenlijk ontstaan als een kruispunt tussen vervoer over de weg en over het water. De postkoets stopte hier op de route tussen Mariestad en Karlsborg, daardoor ontstond de behoefte aan een postkantoor(tje). In 1830 werd het kleine houten huisje van de sluiswachter voorzien van tralies zodat het als postkantoor kon dienen. De sluiswachter werd ook postmeester. Tegenwoordig is dat huisje een museumpje. ’s Zomers altijd toegankelijk, eigenlijk is het niets maar het heeft ook wel weer wat. Er lag zelfs een Zweedse Donald Duck, met een avontuur over dit postkantoortje.

De eerste nacht lagen we hier met 9 boten. De volgende ochtend vertrokken ze allemaal. Wij bleven liggen en hebben lekker en ver gefietst. ’s Avonds was het vol: 16 boten! Waarvan drie motorboten. En afgelopen nacht lagen we met zijn zessen. Misschien heeft het te maken met veel of weinig wind, want even verderop gaan we over een meer.

Waaien deed het de afgelopen dagen best wel, maar het bleef zwoel en lekker warm, zo’n 26 graden. De eerste dag hebben we wat motregen gehad, maar op onze fietsdag en gisteren tijdens het wandelen bleef het droog.

We fietsten richting het zuiden. Met wat omwegen was ons doel de rivier Tidan. Een riviertje van niets, slechts bevaarbaar door kano’s, maar één van de weinige rivieren in Zweden die naar het noorden stroomt. Het komt uit op het Vänern meer.

Onze route was weer enorm afwisselend, en hoewel we behoorlijk wat “kijk nou” , “oh ja”, “weer zo één” momenten hadden, bleef het genieten. Van de rotsen midden in een graanveld of weiland, of zelfs in een tuin. Van een gehuchtje met zes huizen, die allemaal één of meer grote Amerikaanse auto’s in de tuin hadden. Van zo’n auto op een parkeerplaats bij de ICA, wat niet paste maar ach, er was toch ruimte genoeg. Van het asfalt dat nooit echt horizontaal was en vaker lijkt hersteld dan “de broek van Meuke Albertje”, het beroemde werk van Jopie Huisman. Van de kerk met lossen toren. En van zo’n oude Milsten langs de kant van de weg.

Die Milsten, mijlsteen, zijn de voorlopers van onze hectometerpaaltjes langs de snelweg. Ze gaven vroeger aan hoever het nog reizen was, handig voor het berekenen van reiskosten en het vinden van plekken om van paarden te wisselen.

De afstand werd aangegeven in oude Zweedse mijlen. Dat is ruim 10 kilometer. Vaak staat er een koninklijk monogram op, zoals hier van Koning Gustav XIV, het jaartal van plaatsing en de afstand in breuken, zoals hier een kwart mijl.

Die Gustav XIV is slechts 58 jaar oud geworden. Hij nam tijdens de Napoleontische oorlogen consequent een standpunt in tegen Napoleon I, wat leidde tot de Finse Oorlog tussen het Zweedse Rijk en Rusland. Rusland  werd gesteund door de Franse Republiek in die tijd. Tegenwoordig niet meer gelukkig.

Maar goed, het Zweedse Rijk verloor en moest onder meer heel Finland afstaan aan Rusland. Gustav werd na een staatsgreep afgezet en bracht de rest van zijn leven op het vasteland door in steeds armoediger en alcoholistischer omstandigheden. Netjes gezegd hè?

Dat ze dan nog wel Mijlstenen met zijn monogram er op lieten staan is wat apart vind ik. Nog gekker is dat de man in Zwitserland is gestorven en volgens een traditie in de Riddarholmkerk in Stockholm is begraven. Wat een gedoe in 1837!

Dit hebben we gezellig bepraat tijdens onze picknick aan de Tidan, met heerlijk brood van de ICA. Tot nu toe het lekkerste brood uit heel Zweden!

Onze wandeldag leidde ons noordelijk van het kanaal. Door verschillende bossen, over gravel en asfalt, door gehuchtjes en “alleen op de wereld”-huizen. Vaak prachtig, soms een opknapper-met-potentie, soms was er ook geen eer meer aan te behalen. Grappig is dat er voor ’t raam van zo’n bouwval een kerstengel voor ’t raam hing!

We troffen een klein bankje waar we niet op durfden te zitten, maar gelukkig ook een flinke rots waar we lunchten, en we pauzeerden ook nog op het enig eiland in het Göta Kanaal.

Om het kanaal hier, tussen Vassbäcken en het Vikenmeer te creëren moesten er veel rotsen worden opgeblazen. Dat was een duur grapje en daarom is het kanaal hier vaak zo smal. Schepen konden (en kunnen) elkaar niet of nauwelijks passeren. En daarbij hebben ze er bij een hoge rots drie bochten van ongeveer 90 graden in gemaakt.

Dat was natuurlijk geen doen voor de schepen. Er was een bewaker en een seinpaal nodig nodig en er ontstonden urenlange files. Daarom is er rond 1930, dus pas zo’n 100 jaar na de opening van het kanaal een doorgang gemaakt waardoor Lanthöjden als eiland ontstond.

Op het hoogste punt staat een obelisk. Als eerbetoon aan Karel XIII, die koning was toen het kanaal begon. Het is een verlaten eiland maar heeft toch wel wat met het dichtgetimmerd oude wachthuisje en de met mossen begroeide obelisk.

En, er is een aanlegsteiger. Een redelijk nieuwe. We hebben even het plan gehad om hier een nacht te gaan liggen. Klinkt hartstikke leuk, zo in het midden van niets, in ons eentje. Maar we doen het toch niet. Er waren overdag al veel vliegen, en dat zijn niet onze vriendjes.

Morgen komen we hier met de boot langs op weg naar het Viken Meer.